Het verhaal van Gerben
Mijn naam is Gerben. Ik ben 32 en wil hier mijn coming-out verhaal vertellen, zoals zo velen dat op internet voor mij hebben gedaan. Elk van deze verhalen heeft veel van dezelfde kenmerken (denk ik) maar is toch ook weer uniek. Dat heeft mij ook gemotiveerd om mijn verhaal erbij te zetten. Ik hoop dat jij er wat aan hebt. Reacties naar aanleiding van mijn verhaal vind ik dan ook erg leuk.
Tja, waar te beginnen dan. Nou ja, bij het begin dan maar. Ik heb een redelijk onbezorgde jeugd gehad thuis. Ondanks de drukte van de zaak van mijn ouders en (later) de ziekte van mijn vader hebben we toch een redelijk stabiel gezinsleven gehad.
Op de lagere school is het altijd minder leuk geweest. Ik lag nogal buiten de klas. Pesten was een regelmatig terugkerende ellende. Lezen en rekenen waren voor mij lastig door dyslexie. En ook op sportief gebied blonk ik niet uit, wat maakte dat ik bij het kiezen van teams dus met veel tegenzin door een groep werd ‘geadopteerd’. Op de middelbare school viel ik ook nogal buiten de klas. Je kent het wel: geen zin om met het macho-gedrag van de jongens mee te doen. Je anders voelen (en dus ook anders gedragen?). Zo heb ik in die tijd nooit een vriendin gehad. En herinner ik mij dat ik één keer op de turnvereniging, waarbij ik zat, toenadering tot een andere jongen heb gezocht. Maar dat viel zo verkeerd dat ik het nooit weer heb geprobeerd. Hoe dan ook, ik was denk ik een jaar of 14 à 15 dat ik mij er bewust van werd dat ik meer voor jongens voelde dan voor meisjes. Maar ja, wat doe je daar dan mee? Ik woonde in een klein Veluws dorp en ging daar ook naar school.
Niet dat het allemaal zwaar christelijk bij ons was (ik zat ook op een openbare school), maar er was in die tijd niet echt een open sfeer voor homoseksualiteit onder mijn schoolgenoten. Het hield mij erg bezig. Ik voelde mij vaak diep-ongelukkig. Zo zeer zelfs dat ik vaak aan zelfmoord heb gedacht. Alleen het idee dat ik daarmee mijn familie met enorm veel ellende en verdriet zou achterlaten heeft mij daarvan weerhouden. Ook heb ik wel eens op het punt gestaan om een (fictief) verhaal erover voor de schoolkrant te schrijven. Maar daar is het helaas nooit van gekomen. Ik had daar geen moed voor.
Door dit alles ging het op school wel steeds slechter en ben ik in de 3e enorm blijven zitten. Het jaar erop heb ik toen maar direct mavo-examen gedaan, om van die school af te zijn. Hoewel de gevoelens bleven, verdween het onderwerp homosexualiteit naar de achtergrond. Ik dacht er nauwelijks meer aan. Het leek dat het over was. Gelukkig…..
Maar wat dan na mijn middelbare school? Ik had niks aan beroepsoriëntatie gedaan. Maar reizen wilde ik wel graag. En de USA was een droom. Dus dan die droom maar proberen waar te maken. Ik ben dus na de mavo een jaar als uitwisselingsstudent naar de USA gegaan. Daar, in de omgeving van Atlanta (GA), kwam ik bij een gezin terecht in een klein plattelandsdorp. En heb ik op de plaatselijke high school gezeten. En als buitenlandse jongen kreeg ik natuurlijk veel aandacht van de meisjes. Maar ik heb dat hele jaar geen vriendin gehad, tot verbazing van velen denk ik achteraf.
Dat ik thuis in Nederland bijvoorbeeld ook geen vriendin had werd ook vreemd gevonden. Wel weet ik nu, terugkijkend op die tijd, dat ik ook in de USA vele leuke jongens heb gezien, waaronder de zoon van mijn gastouders. Maar daar heb ik niks mee gedaan. Ik was mij in die tijd al niet echt meer bewust van mijn homoseksuele gevoelens. Dat had ik heel diep weg gestopt. Voordat ik naar de USA ging wist ik dat in sommige delen van het land de kerk een belangrijke rol in de samenleving en het gezinsleven speelde.
Zelf had ik geen christelijke achtergrond, maar had ik mij wel voorgenomen dat als ik bij in zo’n regio en bij zo’n gezin terecht zou komen, ik zou proberen met hun mee te gaan. Ik wilde het dagelijks leven daar leren kennen, en daar maakte het kerkelijk leven deel van uit. Ik kwam dus in zo’n regio en bij zo’n gezin terecht. En enige tijd nadat ik daar zat en met hen was meegegaan naar de kerk, heb ik zelf een keuze gemaakt voor het christelijk geloof. Ze zaten bij een evangelische gemeente.
Mijn ouders, die ik het via de telefoon vertelde, waren er niet blij mee. Ze dachten dat het een bevlieging zou zijn. Het zou wel weer over gaan. Niet dus…. Ik ben bij terugkomst in Nederland naar zo’n soort gemeente gaan zoeken en ook gevonden in een dorp in de buurt. Daar heb ik mij bij aangesloten. En zo is mijn leven verder gegaan. Ik ben na een MBO-studie naar het HBO gegaan. Dat was in de buurt, dus bleef ik thuis wonen.
Mijn homoseksualiteit was totaal geen issue. Het bestond gewoon niet. Ik dacht er niet aan. Drie keer heb ik een korte relatie met een meisje gehad, maar die werden door hen uitgemaakt. Ik zou te afstandelijk en niet open genoeg zijn. Nu snap ik wat ze daarmee bedoelden…
Homo’s die ik tegenkwam had ik een hekel aan. Het kriebelde van binnen. Ik voelde me tot ze aangetrokken. Het maakte me onrustig. Maar homoseksualiteit kon vanuit mijn geloof niet, dus sloot ik het buiten. Ik kon als christen toch geen homo zijn? En zij leefden toch in zonde? En ik moest mij toch ver van de zonde houden? Het was voor mij toen een uitgemaakte zaak…
Ik zal een ongeveer 26 jaar zijn geweest, toen ik mij voor het eerst behoorlijk eenzaam voelde en dat ook liet blijken tegenover mijn ouders. Ik snapte niet waarom het maar niet lukte om een vriendin te krijgen, terwijl ik zoveel leeftijdgenoten om mij heen wel druk bezig zag met relaties. Op een bepaald moment hebben mijn ouders mij openlijk gevraagd of ik homo was. Ik heb dat toen hevig ontkend. Ik heb ze erop gewezen dat dat vanuit mijn geloof natuurlijk niet kon. Sindsdien is het onderwerp thuis niet meer aan de orde geweest. Niet in die zin tenminste.
Toen ik in 1998 internet thuis kreeg (ik woonde ondertussen op mijzelf), kwam ik al snel op gaysites terecht. Ik had er een hekel aan, maar het wekte een enorme belangstelling bij mij. Al gauw zat ik met homo’s te chatten. De anonimiteit van internet bood veiligheid. Hier ben ik gaan ontdekken wie en wat ik was. Hier kon ik anoniem met andere jongens chatten. Hier kon ik zeggen wat ik voelde zonder dat ik bang hoefde te zijn ‘ontdekt’ te worden. Na enige tijd kende ik enkele jongens al wat langer van het chatten. Begin 1999 heb ik voor het eerst een afspraak (date) gemaakt met een jongen. Gewoon om iets gezelligs samen te doen. We zijn samen naar de Vakantiebeurs geweest. Dat was voor mij heel bijzonder. Dat was eigenlijk voor het eerst dat ik mij een beetje homo begon te voelen. Dat ik het durfde toe te geven.
Jeroen is nog altijd een goede vriend van me. Na een lange tijd van erover nadenken en aan het idee wennen, heb ik sinds de zomer van 2000 geaccepteerd dat ik homo ben. En ik heb daar zelf ook niet echt moeite meer mee. En je geloof dan, hoor ik je denken? Ja, dat blijft lastig. Ik heb mijn geloof niet afgezworen. Daarvoor is het mij te dierbaar en is het teveel een deel van mijzelf geworden. Het heeft me ook veel goeds gebracht. Zo heb ik door mijn geloof een veel steviger en positiever zelfbeeld gekregen. Maar ik weet ondertussen ook dat ik homo ben. In de tijd dat ik nog bezig was met het twijfelen over mijn homo-zijn, ben ik gaan werken bij een christelijke organisatie.
Ik ben leraar en werkte toen op een strenge christelijke middelbare school. Achteraf misschien niet zo slim, omdat het zaken nogal moeilijker maakte. Zo kon ik in mijn werk niet open zijn over mijn homo-zijn. Dat vond ik oprecht jammer. Vooral ook omdat ik bij sommige leerlingen wel zag dat zij waarschijnlijk ook homo waren. Er lag nog zo’n taboe op het onderwerp in ‘onze kring’. Daar wilde ik graag iets aan doen.
Niet om de mening over homoseksualiteit te veranderen. Maar wel om het onderwerp bespreekbaar te maken. Om het uit de taboesfeer te halen. Ondertussen heb ik die wens ook ten dele in vervulling kunnen brengen. Uiteindelijk heb ik ontslag genomen op deze school en werk ik op een andere school waar ik wel openlijk homo mag zijn.
Bij mijn aankondiging van mijn ontslag op mijn vorige school ben ik ook heel open geweest over mijn homo-zijn. Het is mijn indruk dat dat bij veel collega’s en leerlingen toen tot nadenken heeft gestemd. Plotseling was hier iemand uit hun midden die open en eerlijk was over zijn homoseksualiteit. Dat was voor velen erg confronterend.
Niet alleen heb ik vanwege mijn homoseksualiteit ervoor gekozen van baan te veranderen, maar ook wil ik een andere gemeente zoeken. Ik weet dat mijn huidige (evangelische) gemeente geen praktisering toestaat. In deze gemeente blijven is dan ook vragen om moeilijkheden in de toekomst. Gelukkig zijn er andere gemeenten in de omgeving die hier makkelijker mee omgaan.
Ondertussen heb ik ook aan mijn familie en mijn vrienden kunnen vertellen dat ik homo ben. Daarop heb ik uitsluitend positieve reacties gekregen. Niet dat ze het leuk vinden of zo. Maar wel dat ik toch dezelfde persoon voor ze blijf.
Mijn zus was er erg positief toen ik het haar vertelde. Ze zei dat ze eigenlijk al heel lang een vermoeden had gehad. Het viel me zwaar om het mijn ouders te vertellen vanwege de hevige ontkenning eerder. En ook omdat ze weten dat ik christen ben. Dat heeft veel vragen bij ze opgeroepen. Maar ondertussen gaan ze er ook heel ontspannen mee om. Gelukkig maar. Als ik nu terug kijk, vind ik het jammer dat ik in mijn tienerjaren niet de moed heb gehad om sneller open te zijn over mijn homoseksualiteit. Hoe anders had mijn leven er dan misschien uitgezien?
Ik denk dat ik in bepaalde opzichten gelukkiger was geweest. Ook weet ik nu heel zeker dat je gevoelens niet weggaan, ook al stop je ze nog zo diep weg. Toch ben ik heel blij dat ik uiteindelijk eerlijk tegenover mijzelf heb willen zijn. Dat ik de realiteit onder ogen heb durven zien. Ik denk dat ik kan zeggen dat ik, met alle moeite die er blijft, nog nooit zo gelukkig ben geweest in mijn leven als de laatste tijd.
Nou, het is een lang verhaal geworden. Misschien meer een levensgeschiedenis dan een coming-out verhaal, maar misschien dat het voor anderen herkenningspunten heeft. Dat zou leuk zijn. Ik hoor dat dan ook graag. Neem dan gerust contact met mij op. Ik heb ook ICQ (10352812) en MSN (geb_1@hotmail.com).
Gerben Juli 2002
Top
Dit is het levensverhaal van een ex-monnik. Na een negental jaren als broeder door het leven te hebben gewandeld is hij nu actief in de christelijke homowereld en in ‘zijn’ Rooms-Katholieke Kerk, zij het als vrijwilliger. Hier zijn verhaal.
Tòch een echte Brabander
In 1963 uit Brabantse ouders geboren in Heemskerk; getogen vanaf mijn negende levensmaand in Brabant; jeugdjaren in Oss en Heesch; monnik in Nederland en Frankrijk; 6½ rijke jaren in Den Haag, en nu wonend, samen met mijn vriend, in de provincie Zeeland. Daar ligt een levensverhaal zoals iedereen zijn of haar eigen verhaal heeft met hoogte- en dieptepunten.
In mijn opvoeding was het katholieke geloof en de beleving daarvan een belangrijk gegeven. Zondags naar de kerk, bidden voor en na het eten, in mijn vroegere jeugd samen met mamma een gebedje voor het slapen gaan; het waren ingrediënten die mede zorg droegen voor een fijne jeugd. Ik ben bijna dertien jaar, vanaf mijn negende levensjaar, misdienaar en acoliet geweest in Oss,
Dicht bij de priester en het Mysterie zijn waren mijn belangrijkste drijfveren.
In die laatste periode ging ik een sterk behoudende kant op, die mijn moeder zorgen baarde en waarover ze mij ook heeft aangesproken. Zij had vroeger veel moois, maar ook nare dingen rond geloof en Kerk meegemaakt en wilde niet dat ik in zo’n zelfde beleving terechtkwam. Ik heb toen tegen mijn moeder gezegd dat ik er nog altijd zelf bij ben als ik bepaalde keuzes maak en dat ik er voor zal waken in mijn leven ondoordachte keuzes te maken. In die tijd leerde ik de abdij kennen, doordat ik iemand ontmoette die monnik wilde worden en daar wilde intreden.
Ook maakte ik een reis naar Rome. Daar, bij het graf van de Heilige Petrus, werd ik mij bewust dat mijn weg niet een vanzelfsprekende weg zou zijn; dat ik niet, zoals zovelen, moest gaan trouwen en een gezin stichten. Nee, voor mij waren andere dingen weggelegd. (Nu daarop terugziend moet ik erkennen dat die bewustwording nu nog steeds geldt, zij het binnen een geheel andere context…!). In de twee jaren na die Rome-reis worstelde ik een ware strijd met God, om uit te vissen, wat Hij nu precies met mij wilde.
Ruwe Steen
Eind 1985 viel het definitieve besluit Jezus te volgen binnen de beslotenheid van het monastieke leven . Ik trad in 1986 in en kwam er terecht als een ruwe steen in een betonmolen. Na het noviciaat (tweeënhalf jaar) waren de eerste scherpe kantjes er af en groeide er in mij langzaam en gestaag een innerlijke ruimte en openheid, die ik niet kan omschrijven. Het celibaat, welke ik nooit heb ervaren als een ‘verdringing van mijn seksualiteit’, heeft hier zeker een grote waarde en aandeel in gehad. Heel duidelijk was God, door dagelijkse dingen heen, bezig mij om te vormen en mij geschikt te maken Zijn liefde uit te dragen, in het bijzonder naar mijn medebroeders in mijn dagelijkse kloosterleven.
Dit klinkt wellicht erg zwaar en ‘EO-achtig’, maar naarmate je aan God een grotere plaats toekent in je leven, ga je ook steeds meer alledaagse dingen en gebeurtenissen in relatie brengen met God.
Gedurende mijn kloosterleven waren mijn seksuele gevoelens niet weg (gelukkig maar!), maar ik gaf er nog niet het naampje ‘homoseksualiteit’ aan en ik stond er dus ook niet bij stil. Wel kende ik reeds meerdere mensen van buiten het klooster die ‘zo’ waren. Dat riep bij mij bij tijd en wijlen vragen op: van de éne kant mag het niet (van de Kerk, de maatschappij), van de andere kant had ik altijd een goed contact met hen. Niet vaak, maar wel af en toe was de beleving van en het omgaan met je seksualiteit best bespreekbaar, maar dan toch meestal in de trant van: ‘een dagelijkse zonde, die dagelijks voorkomt, is eigenlijk geen dagelijkse zonde meer (maar een ‘dood’-zonde)’. Gedoeld werd op een te grote gerichtheid op intimiteit en zelfbevrediging. Plat gezegd: loop niet teveel je pik achterna, want dan heb je geen of onvoldoende oog en inzet meer voor je kloosterideaal, voor God, voor je medebroeders en je taken. Ik heb ervaren dat hier de kern geraakt wordt waar het bij het celibaat, de onthouding om draait.
“Ora et Labora”: Bid en Werk
Een kloosterdag kent meerdere gebedsdiensten in de kerk en tijden van persoonlijk gebed en lezing. Zij geven je dag inhoud en ritme; je arbeid slingert zich tussen die gebedsmomenten door en maken je dag gevuld en afwisselend.
Mijn activiteiten in het klooster waren divers: beginnend als boekbindersleerling ging ik na een half jaar naar de brouwerij, alwaar ik ruim zeven jaren in het magazijn op de heftruck en op de bestelbus mijn handen uit de kloostermouwen stak. Ik mocht ook gaan studeren en volgde een interne theologische en filosofische opleiding (geen doctoraal), die ik in 1994 afrondde met een scriptie in Kerkrecht.
Voor de geïnteresseerden: “Leven in beslotenheid”, Clausuurregels in de Orde der Cisterciënzers van de Strikte Observantie overeenkomstig CIC/1917, Tweede Vaticaans Concilie, CIC/1983. (niet in de handel).
Andere taken die ik in de loop van al die jaren toegewezen kreeg: invallen als ziekenverzorger op de ziekenafdeling, het onderhouden van de kloostergangen (en die waren niet klein!), gedurende zeven jaar Cantor en zelfs, voordat ik in 1994 naar Frankrijk ging, de taak van huiseconoom, die zorg heeft over de kleinere materiële zaken binnen het klooster.
Zo heb ik een gelukkige tijd meegemaakt met al haar ‘ups’ en ‘downs’, waarin ik het leven leerde kennen in haar diepere niveaus en ik heb daaraan veel vreugde en genoegen beleefd. Ik mocht ervaren dat mijn medebroeders van mij hielden en dat ik van hen hield. Zij vormden mijn nieuwe familie, zonder mijn bloedverwanten hiermee tekort te doen!
Verbintenis voor het leven
Net als in ieder mensenleven ontstaan er ook wrijvingen in de onderlinge verhoudingen en gebeurt het dat er jonge of reeds gesettelde medebroeders een nieuwe weg kiezen en de gemeenschap verlaten, al dan niet met negatieve gevoelens. Zo ook in mijn tijd. Aan die gebeurtenissen beleefde ik veel pijn en werd ik telkens weer opnieuw met mijn neus op mijn eigen keuze gedrukt. Ik werd er ook door bevestigd: ik ben hier gelukkig. De pijn van die uittredens werd genezen door de tijd, maar de littekens zijn niet altijd weg te poetsen.
Ik leerde echter dit soort gevoelige gebeurtenissen een plaats te geven in mijn leven en, ondanks alles, God dankbaar te zijn voor hen die mijn levenspad kruisten en voor al wat gebeurd was. Het had mij meer doen groeien in liefde voor de mensen. Tevens heb ik in die tijd geleerd eerlijker naar mezelf te kijken. Als voorbereiding op mijn Professie geen overbodige luxe… Het feest van mijn Professie was er een van een grote schoonheid, uiterlijk en innerlijk; een vreugde die zich definitief in mij vastzette tot op de dag van vandaag.
“Mr. Blue”, begin van een zware tijd
Toch brak er in datzelfde jaar veel nieuws in mij door en durfde ik mijn homoseksuele gevoelens eindelijk onder woorden brengen en onder ogen zien.
Rene Klijn had hieraan met zijn hit ‘Mr. Blue’, zij het onbewust, meegeholpen. Dat bracht spanningen mee, maar tevens een gevoel van eerbied voor Gods schepping en vreugde om zoveel moois en diversiteit daarin. Vanaf het moment, dat ik het onder woorden durfde te brengen, durfde ik ermee om te gaan, maar dat bracht mij ernstig in conflict met het celibaat. Door mij te storten’ op mijn eindscriptie dacht ik deze conflictsituatie het hoofd te kunnen bieden, maar dat was een grote, zij het ook heel menselijke misrekening…! Uiteindelijk (maar wel veel te laat) werd het bespreekbaar tussen de abt en mij (ook naar mijn ouders toe) en is er, na een tijd van spanning en veel emoties, besloten, dat ik voor een half jaar tot een jaar naar Frankrijk zou gaan, naar het zgn. Moederhuis van mijn abdij, om mijn rust te hervinden, mij te ‘herbronnen’ en te bezinnen op de vraag hoe ik binnen de celibataire staat van het kloosterleven omga met mijn homoseksualiteit.
Mijn moeder overlijdt
In die eerste periode was het de ziekte van mijn moeder, die mijn gedachten bepaalde en mijn verblijf in Frankrijk er niet gemakkelijker op maakte. Mijn moeder overleed met groot geloof en vertrouwen in de goede God en mijn moeder heeft mij in die periode duidelijk gemaakt, dat God het is die ons allen leiden zal door moeilijke situaties heen. Haar overlijden was pijnlijk maar tegelijk een ervaring van Gods nabijheid. In Frankrijk heb ik aan God niet veel gevraagd; slechts één ding vroeg ik Hem: als mijn moeder overlijdt, wil ik erbij zijn. Dat gebed is verhoord; ik blijf intens dankbaar voor dat Godsgeschenk.
Een nieuwe weg op
Langzaamaan groeide in mij in Frankrijk het besef, dat ik een andere weg moest gaan kiezen. Mijn bijzondere ervaringen bij de Katholieke Charismatische Vernieuwing, waarvan ik sinds ’93 de jaarlijkse Geloofsweek in Hoogstraten (België) mocht bezoeken, de onbetaalbare steun en hulp van mijn abt, mijn psycholoog en mijn medebroeders gaven mij kracht en overgave om ook die weg in vertrouwen op Jezus te gaan, ook al wist ik, dat ik met mijn stap veel mensen, ook mijn kloostergemeenschap, pijn zou doen.
In 1995 liet ik het kloosterleven achter mij en ging een nieuwe weg op. Ik maakte toen een afscheidsgedicht, dat heel veel verwoordt:
Mijn Franse verblijf wordt herinnering
Nu stopt mijn mooie kloostertijd
Zo vervloeit mijn monastiek leven
Wat ik had, heb ik gegeven
Het is spijtig, maar ik heb geen spijt
Wat rest is dankbare mijmering
Ik vertrok naar Den Haag, na enkele weken liefdevol te zijn opgenomen geweest in een Franciscaanse gemeenschap in Rotterdam. Het was een ‘tussenstation’ om in Den Haag woonruimte te vinden. Nog steeds ben ik hen dankbaar voor hun gastvrijheid.
In Den Haag leerde ik al snel veel mensen kennen, die mij met raad en daad bijstonden. Met name medeparochianen van de Agneskerk aan de Beeklaan zijn een onmiskenbare schakel geweest in die beginperiode, waarin ik mij een weg zocht in een nieuwe leefwereld.
Ik zocht ook aansluiting en nieuwe vrienden bij de christelijke homovereniging CHJC. Alles zat mij op alle fronten mee in Den Haag en ik besefte dat God ook nu, net als in het klooster, met mij samen optrok en richting gaf aan mijn leven. De geloofsgemeenschap van de Agnesparochie werd een veilige haven voor mij, die mij de kans gaf te groeien in geloof, hoop en liefde en waar ik als gelovige homo welkom was, zoals iedere gelovige.
Na een negental maanden werkeloos te zijn geweest, kon ik gaan werken als assistent-begeleider van lichamelijk gehandicapten in een Woonvorm in Den Haag. Ook daar leerde ik veel nieuwe dingen, al bleek na enige maanden, dat ik het verzorgingsaspect minder snel in de vingers kreeg dan ik verwacht had. Mijn zorg voor de medemens lag kennelijk toch op een ander vlak.
Op naar het Bisdom
Door de regio Zuid-West van het CHJC werd ik inmiddels, terwijl ik nog geen jaar lid was, gevraagd zitting te nemen in het regiobestuur en voelde ik mij meer en meer begaan met mijn medemensen. Dat gaf mij medio 1996 de doorslag eindelijk naar het Bisdom Rotterdam te stappen om mij te oriënteren op een dienstbetrekking ten gunste van mijn zo geliefde Katholieke Kerk. In alle eerlijkheid en zonder mijn homoseksuele levenswijze te verdoezelen ben ik het contact aangegaan. Mijn eerlijkheid werd mij (zoals ik wel verwacht had) noodlottig; alleen als mijn levenswijze christelijk zou zijn zoals de Katholieke Kerk dat voor ogen staat (dus mijn homoseksualiteit niet praktiseren), zou het voor mij mogelijk zijn geweest als bijvoorbeeld pastoraal werker te gaan fungeren, zo vertelde mij de toenmalige Bisschoppelijk Gedelegeerde voor de Pastorale Werkers en nu Hoofd Personeelszaken van het Bisdom Rotterdam. Het is in mijn ogen echter ondenkbaar uit het klooster te gaan om celibataire redenen en vervolgens weer verplicht (vanwege mijn geaardheid) celibatair te gaan leven. Eerlijkheid binnen mijn eigen Kerk strafte zich dus!
Zo getuig je niet van een doorleefde medemenselijkheid als je gelovigen lasten op de schouders legt die je zelf niet kunt invoelen. Let wel: ik koester geen wrok of negatieve gevoelens ten aanzien van mijn Kerk. Op een bepaald punt ben ik het niet eens met de Kerk en ga ik de weg die mijn geweten, maar bovenal God mij geeft. Er is echter zoveel moois in de Kerk en door die Kerk heb ik zoveel rijkdom gekregen, dat ik dat ene punt slechts beschouw als een meningsverschil. Als de Kerk problemen met mij heeft, heeft zij meer problemen dan ik. Naïef? Je kunt er heel oud mee worden!
Dubbel gevoel
Tijdens mijn Haagse tijd, maar ook nu nog hier in Zeeland besef ik, dat ik verder moet met een tweespalt diep in mijzelf. Toen ik in het klooster leefde begon ik iets te missen (mijn seksuele intimiteit), maar nu ervaar ik ook een gemis (de stilte, het regelmatige gezamenlijke gebed, het gemeenschapsleven, mijn medebroeders). Tegelijkertijd was ik gedurende mijn kloosterleven echt gelukkig en als een vis in het water, terwijl ik dat nu eveneens ervaar. Dit gevoel roept op sommige momenten een heimwee op die meer is dan een vluchtige nostalgie. Het is een diepe band met het monastieke leven, die nimmer verdwijnen zal. Gelukkig blijf ik daarin niet steken en ga ik, nu tesamen met mijn vriend, opgewekt door het leven, of, zoals iemand anders zichzelf eens omschreef, als een “optimist tot in de kist”.
Jongerendagen in Parijs
In 1997 maakte ik in Parijs met ruim een miljoen jongeren de WereldJongerenDagen mee waar de veelkleurigheid van onze Kerk zich voor mijn ogen ontvouwde. Wat dacht je bijvoorbeeld van de kazuifels van de priesters, die allemaal bestikt waren met alle kleuren van de regenboog…?! Geen wanklank, geen afkeuring, ook al wisten mijn reisgenoten al snel van mijn homoseksuele geaardheid. Mijn vraag daaromtrent aan mijn eigen bisschop, Mgr. van Luyn (Rotterdam), daar in een stampvolle kerk in hartje Parijs na een lezing van hem, luidde:
“In hoeverre kan ik, als homoseksueel, de Kerk aanspreken op haar afwijzing van mijn gepraktiseerde geaardheid, als ik diep in mijn hart weet, dat God mijn levensweg zegent en (met de woorden van de bisschop) met mij is, alle dagen van mijn leven?”
Ik verwachtte niet dat de bisschop erop in zou gaan, maar hij deed het wèl! Niet in hoeverre ik de Kerk erop kan aanspreken maar wel:
“De Heer is altijd met ons. Dat is het allerbelangrijkste. Wij hebben een relationeel geloof. Wij moeten onze relatie met Christus verdiepen en zichtbaar maken in onze relaties onderling. Hoe iemand in elkaar zit heeft hij of zij zelf niet in de hand.
leder is zoals hij of zij geschapen is. Leef met God en de mensen om je heen zoals Jezus dat deed. Leef dus zoals het Evangelie het jou voorhoudt.”
Na Parijs zijn diverse initiatieven van enthousiaste medereizigers opgepikt en is het JongerenPlatform Bisdom Rotterdam opgericht, waarvoor de groep mij als voorzitter koos. Ik was dankbaar dat ik op deze wijze toch mijn bijdrage mocht leveren aan de opbouw van een fijne kerkgemeenschap, die ruimte biedt aan iedere gelovige.
“Met hem hoop ik oud te worden”
Inmiddels had ik werk gevonden in een geheel andere sector: de commerciële.
Ik kreeg een baan als verkoper in een kleine Haagse keten van Doe-Het-Zelf-zaken, waar ik het goed naar mijn zin heb en geen problemen ondervindt met mijn geaardheid, integendeel. Na een televisie-uitzending van Catherine, waarin ik uitgebreid aan het woord kwam over het thema “Afscheid van je veilige wereldje” en ook mijn homoseksualiteit ter sprake kwam, kreeg ik alleen maar positieve reacties. Maar er gebeurde meer!
In oktober 1998 leerde ik mijn huidige levenspartner kennen tijdens een CHJC-weekend. Na de afscheidszoen had ik het gevoel, dat de bliksem ingeslagen had en hoewel ik na dat weekend nog enkele rustige kloosterdagen gepland had in mijn vroegere abdij, zat ik die dagen slechts te ‘shaken’ van verliefdheid! Het mag duidelijk zijn: ik ben nog steeds verliefd en met hem hoop ik oud te worden!
Door onze weekendrelatie (hij woonde in de provincie Zeeland) werden stilaan mijn activiteiten in mijn vrije tijd wat teveel van het goede.
Ik kapte met het Jongerenplatform, mede ook doordat de samenstelling en doelstelling niet meer beantwoordden aan mijn ideaal: een groep die alle jongeren aanspreekt en niet slechts een select clubje jonge gelovigen. Overige bestuursfuncties legde ik in de loop der jaren ook neer, want het werd tijd mijn energie meer te steken in de toekomst van mijn vriend en mij. Daarom koos ik binnen het CHJC weer voor een actief lidmaatschap zonder bestuursfunctie. Dat viel zwaar. Maar toen mijn vriend en ik kort daarop besloten samen verder te gaan in Goes en ik dus het Haagse zou gaan verlaten, gaven goede vrienden er een zeer ontroerend slotstuk aan. Eind 2001 verliet ik Den Haag en trok bij mijn vriend in.
Mijn inspiratiebronnen
Vaak hebben mensen mij gezegd, toen ik net uit het klooster was en van alles ondernam, dat ik bezig was met een inhaalslag. Ik wilde dat zo niet zien, alsof ik door mijn kloostertijd veel gemist zou hebben. Nu moet ik bekennen, dat ik zeker zo’n inhaalslag heb gehad, maar zonder daarmee mijn kloostertijd tekort te doen.
De geestelijke bagage, welke ik verworven heb in mijn kloostertijd, kan ik ten volle aanwenden in mijn huidige omgang met medemensen en in mijn plaatselijke parochie. Mijn activiteiten binnen de homowereld en mijn vrijwillige inspanningen voor mijn Rooms-Katholieke Kerk staan bijna niet los van elkaar. Het is juist die uniciteit van die combinatie die ik wil uitdragen. Ik draag diep in mij de rotsvaste overtuiging, bevestigd door de goede God gedurende die Geloofsdagen van de Charismatische Vernieuwing in Hoogstraten (B) (zie hierboven), dat God mijn levenspad en levenswijze zegent en beschermt!
Samen hebben mijn lieve vriend en ik een opdracht te vervullen.En door onze oecumenische relatie (hij is van de PKN) krijgt die opdracht extra diepte en reikwijdte! Mijn geloof (meegekregen van mijn ouders), hij èn mijn vroegere kloostergemeenschap (waar ik steeds graag kom en een goede band mee heb) zullen daarbij mijn inspiratiebronnen zijn en blijven!
Hieronder geef ik je de berijmde tekst weer, welke ik heb uitgesproken tijdens de Oecumenische Viering b.g.v. Roze Zaterdag 2007 in Bergen op Zoom:
Hier sta ik dan: als voormalig kloosterling, als homo èn als gelovig mens!
Ik verlang naar een liefdevolle Kerk: is dat een utopische wens?
Kan ik mijn Roomse Kerk liefhebben, als zij in mij een zonde blijft zien die niet bestaat?
Is het niet juist Jezus, die dat blindstaren in Gods Naam bij Farizeeërs zo haat?
Toen ik mijn geliefde kloosterleven op ging geven,
niet vanwege mijn homo-zijn, maar omwille van het celibataire leven,
wilde ik graag in mijn Kerk blijven dienen, als het even kon: betaald.
Met eerlijkheid is dat nobele streven, triestig genoeg, achterhaald!
Toen ik mij meldde bij het Bisdom Rotterdam
en na een eerlijke en open brief op gesprek bij Personeelszaken kwam,
was het antwoord klip en klaar:
Alleen als ik leefde zoals de Kerk dat vraagt, was het geen bezwaar.
En wat, zo stelde ik, als ik hen niet door mijn achtergrond had laten verrassen?
Het antwoord: Groot probleem, maar daar was dan wel een mouw aan te passen…!
Niet te geloven…….!
Overtuigd door mijn geestelijke bagage
èn de bijna tastbare Zegen Gods over mijn levensstaat
bleef ik niet steken in blinde kerkhaat.
Ooit heeft mijn vroegere Vader Abt mij ingeprent:
“Broeder, besef terdege, als de Kerk tégen je zal werken:
God staat bóven alle Kerken!!”
En óók de Bijbel spreekt mijn levenswijze niet tegen,
want over liefde tussen twee mannen wordt ‘stilzwijgend’ gezwegen.
Mijn lieve vader kon, na moeders vrij plotselinge overlijden,
ook de zorgen om mijn weloverwogen vertrek uit het klooster niet vermijden.
Samen deelden wij de band van het geloof
en toch was er daar tussen ons een kloof.
Toen groeide in mij het besef, dat ik daar niet te zwaar aan moest tillen:
mijn vader is méér dan hetgeen waarin wij verschillen!
Van hem en ma kreeg ik het leven;
toen mijn vriend en ik besloten samen verder te gaan
heeft hij aan mij, aan ons opnieuw léven gegeven
met een ring, gesmeed van het kostbaarste dat hij had: hun trouwringen.
Niet te geloven, dat jij, Pa, nu hier, samen met ons allemaal, wilt meevieren en meezingen!
Zo is óók mijn Kerk: een gevarieerde taartdoos met allerlei lekkernijen.
Dat ik niet met mijn lieve vriend zou mogen vrijen
of welk-regeltje-dan-ook letterlijk zou moeten nemen:
ach, voor mij is mijn Kerk méér dan die seksuele en andere problemen.
Na mijn tien rijke kloosterjaren, in mijn Den Haag-tijd,
kon ik in mijn toenmalige parochie uitstekend mij ei kwijt.
Als koorlid, acoliet en lector zo nu en dan
kreeg ik ook daar een ondersteunende kerkelijke achterban.
Van de parochiële saamhorigheid aldaar een treffende illustratie:
een ouder homostel kreeg, na 25 jaar koster-schap, na de preek een staande ovatie!
Niet te geloven!
Zijn dit allemaal misschien de redenen, dat ik, ondanks alles, in mijn Kerk iets van liefde zie?
Is dat de reden dat ik Rooms blíjf, ondanks het verschil in oriëntatie?
Mag ik uit mijn band met de Ene wellicht de kracht halen
om iets van Gods Liefde naar mijn naasten uit te stralen?
Daarin faal ik vaker dan ik zou wensen.
Niet te geloven….ik ken méér van die falende mensen…….!
Ik bèn en blíjf Rooms-Katholiek.
Heeft de Kerk iets tegen mij? Dan is dat háár problematiek!
Gesteund door mijn lieve God ga ik mijn levensweg, frank en vrij!
Daarop lopen mee: mijn lieve vriend, mijn familie, mijn vrienden! Zij maken mijn leven blij!
En als ik lees in de Bijbel: “Wat geen menshart kan bevroeden,
heeft God bereid voor hen, die zich met Zijn Liefde voeden”:
tja, dàn weet ik het zéker, ik heb mij niet vergist.
Dáárom ook is mijn levensmotto: “Optimist tot in de kist!”
Het is toch NIET TE GELOVEN !!
Wil je meer weten over het kloosterleven? Neem een kijkje bij Monasteria
* In 1998 werd in het juninummer van Vroom & Vrolijk een artikel gepubliceerd, waarin ik mijn levensverhaal vertelde. Omwille van de actualiteit heb ik het stuk in oktober 2001 en in april 2008 op een aantal punten herschreven. M.
Top
Mensen(-)verhalen: Pastores vertelen over zoekende mensen op hun levensweg, verhalen over hun lief en hun leed. Verschenen in “Gerardus Klok” maandblad gewijd aan de verering van Sint Gerardus ter ondersteuning van het apostolaat van de redemptoristen, jaargang 78, nummer 9 ; september 2001
Na de mis van elf uur komt ze de sacristie binnen, mevrouw Aalders. “Pater, daar ben ik weer! Een dagje met mijn dochter naar Wittem. Heeft u vanmiddag een half uurtje tijd? Ik zou het fijn vinden weer even bij te praten”.
Mevrouw Aalders ken ik al een tijdje. Elk jaar komt ze vanuit het Westland naar Wittem en bijna elk jaar hebben wij een gesprekje. Aan gespreksstof geen gebrek, want als je acht kinderen hebt, heb je heel wat te vertellen.
‘s Middags zitten we tegenover elkaar. “Loes is even naar Vaals, naar een vriendin. Dan kan ik fijn in de Smartenkapel wat bidden; daar zit ik het liefste. Straks komt ze mij halen, want we gaan ook nog naar Koos in Eindhoven.”
“Tja, Loes heeft het niet zo gemakkelijk na haar scheiding”, zo valt ze met de deur in huis. (…) Maar met Sjoerd gaat het gelukkig heel goed”.
Ik moest even nadenken wie Sjoerd ook al weer was. O ja; vorig jaar vertelde ze over haar jongste zoon. Die was toen nog steeds thuis; over de dertig en nog steeds geen vriendin of zo. De andere kinderen maakten daar wel eens grapjes over.
Tot hij op een gegeven moment, ‘s avonds na de afwas, zei: “Mam, ik moet je wat vertellen… ik ben homo.” Het hoge woord was eruit; wat had hij daar tegenop gezien. Maar zij had dat altijd al vermoed. Sjoerd was gewoon anders dan de andere vier zoons. “Jongen, voor O.L. Heer ben je niet minder waard. Ik hoop dat je een gelukkig mens wordt”.
Dat was een hele opluchting voor Sjoerd. Hij had nooit gedacht dat zijn moeder zo zou reageren. Want zij was heel gelovig, ging elke zondag naar de kerk; ze zou het dus vast wel heel erg gevonden hebben. Sjoerd zelf was trouwens ook een trouwe kerkganger -als enige van de kinderen. En hij voelde zich erg schuldig, omdat de Kerk homoseksualiteit afwijst.
“Ik vertelde u vorig jaar, dat Jan, mijn man, zo’n moeite heeft met homo’s en alles wat anders is. Ja, hij is nogal behoudend. Omdat Sjoerd het niet aan z’n vader durfde te vertellen, heb ik het maar gedaan. Het enige wat mijn man zei, was: ‘ook dat nog’. Want een maand tevoren hadden we gehoord dat Marijke ging samenwonen met een Marokkaan. Telkens als er met de kinderen iets is, is het enige wat Jan dan zegt: ‘het is wat met die kinderen’, en verder zegt hij nooit iets. Hij is zo gesloten. Ik wou dat hij eens meeging naar Wittem; dan konden we samen praten. Maar hij is het liefste thuis. Ondertussen vreet hij zich van binnen op over alles wat hij over zijn kinderen hoort. Hij snapt het niet, en schaamt zich dat zij niet leven zoals het -in zijn ogen- hoort”.
“Met Sjoerd gaat het goed, zei u?” “O ja, ik had het over Sjoerd. Ja, sinds een maand of acht heeft hij een vriend; een schat van een jongen. Je ziet Sjoerd gewoon opfleuren. Ze wonen samen op een flat. Wim -zo heet hij- is ook erg gelovig. Ze hebben elkaar leren kennen in het kerkkoor. Ze doen veel voor de parochie. En wat ik zo fijn vind: de pastoor heeft Wim pas gevraagd om lid te worden van het kerkbestuur, ofschoon hij weet dat hij homo is.
Gelukkig is de kerk van onderen heel wat begrijpender dan de de kerk van boven. En wat helemaal mooi is: vorige maand heb ik Jan zover weten te krijgen, dat hij een avondje is meegegaan naar Sjoerd en Wim. Ze hadden het heel gezellig gemaakt. Mijn man heeft het er nog altijd heel moeilijk mee, net zoals met Loes en Marijke, maar toen we die avond naar huis reden, zei hij: ‘ik geloof dat Sjoerd gelukkig is. Misschien moet de kerk daar toch anders over gaan denken’.”
Loes meldt zich bij de kloosterreceptie. Mevrouw Aalders kijkt verschrikt op het horloge. “Is het al vier uur? En we hebben Koos beloofd om vijf uur bij hem te zijn. Hoe ver is het rijden naar Eindhoven? En ik heb nog niet eens verteld over Theo zijn nieuwe baan, en over de tweeling van Annet. Nou ja, volgend jaar dan maar.”
Henk Erinkveld c.ss.r.
Top